De koffieplant

Twee soorten Coffea

Er bestaan diverse soorten van de Coffea-plant, maar de meest verspreide zijn de Arabica en de Canephora (Robusta). De eerste soort is ook de meest kostbare en vertegenwoordigt 3/4 van de wereldproductie.

De Arabica, ontstaan in de bergstreken van Ethiopië, is gevoelig voor warmte en vocht en groeit op een hoogte van meer dan 900 meter: hoe hoger, hoe beter de organoleptische kwaliteit van de gebrande koffieboon.

De Robusta is, zoals de benaming aangeeft, goed bestand tegen het warme klimaat en diverse parasieten. Deze plant groeit, verspreid in de tropische laagvlakten, ook op 200/300 meter, in gemakkelijker te bereiken gebieden waar het ook gemakkelijker is om een plantage uit te baten.

De Arabica-koffiesoorten hebben een bijzonder sterk aroma: zoet, rond, licht zuur en vaak chocoladeachtig, met een licht hazelnootkleurige, naar rood neigende crema en een aangename bittere toets. Robusta-koffie is echter prikkelend, scherp, heeft weinig aroma en een meer bittere toets en een bruine, naar grijs neigende crema.

De Arabica-koffieboon is langwerpig, geelgroenig van kleur bij de natuurlijke bonen, en blauwgroen bij de gewassen koffiebonen. de Robusta-koffieboon is rond van vorm, met een bronsgele kleur voor de natuurlijke bonen en groen voor de gewassen bonen. 

Al vertonen de Arabica en Robusta slechts kleine verschillen qua uitzicht, toch zijn ze genetisch erg verschillend: de eerste beschikt over een celkern met 44 chromosomen, bij de tweede zijn dit er slechts 22. Vanuit scheikundig oogpunt is echter enkel het cafeïnegehalte verschillend: van 0,9% tot 1,3% voor de Arabica, van 1,6% tot 2,5% voor de Robusta.

Achtergrond

  • Waarom we voor kwaliteit kiezen